ECLI:NL:CRVB:2004:AR7790

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6478 ONBEK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:41 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet betalen griffierecht ongegrond verklaard

Opposant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Opposant diende hiertegen verzet in, waarbij hij aanvoerde dat het verzuim niet tegen hem kon worden ingebracht.

De Raad overwoog dat de verschuldigdheid van het griffierecht voortvloeit uit artikel 22 van Pro de Beroepswet, een dwingendrechtelijke bepaling, en dat artikel 8:41 Awb Pro niet van toepassing is. Opposant was meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling en de gevolgen van niet-betaling. Ook zijn verzoeken om vrijstelling werden terecht afgewezen.

De Raad constateerde dat opposant de mogelijkheid had om bijzondere bijstand aan te vragen voor het griffierecht, maar dat hij hiervan geen gebruik had gemaakt. Het griffierecht was niet betaald binnen de gestelde termijn, waardoor het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet betalen van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/6478 ONBEK
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 21 september 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 december 2003, reg. nr. 03/728 NABW, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Opposant heeft bij brief van 1 december 2004 meegedeeld dat de behandeling van zijn verzet buiten zitting kan plaatsvinden en de Raad verzocht uitspraak te doen. De Raad heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 21 september 2004 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 87,-- niet binnen de laatstelijk door de griffier bij aangetekende brief van 13 juli 2004 gestelde termijn is betaald, en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om die vraag ontkennend te beantwoorden.
In aansluiting op hetgeen in de uitspraak van 21 september 2004 is overwogen merkt de Raad op dat de verschuldigdheid van het griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep voortvloeit uit het bepaalde in artikel 22 van Pro de Beroepswet. Artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is hier niet van toepassing. Op de verschuldigdheid van het griffierecht is opposant gewezen bij brieven van 16 januari 2004, 5 februari 2004 en 16 april 2004. De herhaalde verzoeken van appellant om vrijstelling van betaling van het griffierecht zijn naar het oordeel van de Raad terecht afgewezen. De griffier van de Raad heeft opposant er bij brief van 16 april 2004 al op gewezen dat artikel 22 van Pro de Beroepswet een bepaling van dwingend recht is. De omstandigheid dat de rechtbank Groningen opposant in andere zaken kennelijk wel vrijstelling van het betalen van het griffierecht heeft verleend doet daar niet aan af. Opposant is hierover ook geïnformeerd in de brief van 16 april 2004. Omdat hij in meer zaken hoger beroep heeft ingesteld is hem een termijn van 10 weken gegeven om de in deze en andere zaken in rekening gebrachte griffierechten te voldoen. Die termijn is bij brief van 13 juli 2004 op verzoek van opposant nogmaals verlengd tot 30 juli 2004, waarbij er met nadruk op is gewezen dat indien het verschuldigde griffierecht niet vóór laatstgenoemde datum ontvangen is, het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Vast staat dat het griffierecht niet voor 30 juli 2004 is betaald.
In hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposant het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Daarbij tekent de Raad aan dat opposant in verband met de door hem gestelde betalingsonmacht bij brief van 16 april 2004 is gewezen op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht. Gesteld noch gebleken is dat opposant van die mogelijkheid (tijdig) gebruik heeft gemaakt.
Gelet op het vorenstaande moet het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
TTAG 8/12’04