ECLI:NL:CRVB:2004:AR7744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Toekenning WW-uitkering en vergoeding renteschade na onrechtmatig besluit
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een eerdere uitspraak waarin haar aanvraag voor een WW-uitkering was afgewezen. Het UWV heeft bij besluit van 4 juni 2004 alsnog de WW-uitkering toegekend met ingang van 1 maart 2000, waarmee het geschil in de hoofdzaak kwam te vervallen.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde vervolgens de verzoeken tot vergoeding van schade. De Raad oordeelde dat het UWV aansprakelijk was voor de renteschade over de nabetaling van de uitkering vanaf 1 augustus 2000, conform eerdere jurisprudentie. Het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand werd afgewezen omdat het primaire besluit niet zodanig ernstig gebrekkig was dat het onrechtmatig was genomen tegen beter weten in.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante, begroot op €1.288,--, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van in totaal €104,37. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 december 2004.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot toekenning van de WW-uitkering en vergoeding van renteschade, terwijl vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt afgewezen.