ECLI:NL:CRVB:2004:AR7494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Weigering toestemming voor nieuwe borstprotheses na verwijdering oude protheses niet gerechtvaardigd
Appellante, een zorgverzekeraar, weigerde toestemming voor het inbrengen van nieuwe borstprotheses na verwijdering van oude protheses wegens het ontbreken van een medische noodzaak. Gedaagde had bezwaar gemaakt omdat zij meende dat zij na verwijdering was verminkt door de aanwezigheid van littekenweefsel en dat zij door de medisch adviseur niet adequaat was onderzocht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit omdat het onderzoek naar de vraag of sprake was van een verminking onvoldoende was geweest. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat een verminking in de zin van de Regeling een ernstige misvorming van een lichaamsdeel inhoudt, en dat het mogelijk is dat verwijdering van borstprotheses tot een dergelijke verminking leidt.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die bevestigde dat in dit geval redelijkerwijs te verwachten was dat verwijdering van de protheses zou leiden tot een verminking. Appellante had nagelaten gedaagde adequaat te onderzoeken ondanks herhaalde verzoeken. De Raad veroordeelt appellante in de proceskosten van gedaagde en bepaalt dat appellante een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van toestemming voor nieuwe borstprotheses wordt vernietigd en appellante wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit.