ECLI:NL:CRVB:2004:AR7397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vertraging in terugvordering WW-uitkering geen dringende reden tot kwijtschelding
Appellant had een WW-uitkering ontvangen die vanaf 20 januari 1998 te hoog was vastgesteld vanwege een gewijzigde WAO-uitkering. Door een omissie bij het UWV werd de WW-uitkering niet tijdig aangepast, waardoor appellant teveel uitkering ontving. Het UWV vorderde vervolgens het teveel betaalde bedrag van €7.405,68 terug over de periode van 20 januari 1998 tot 1 januari 2002.
Appellant voerde aan dat de lange vertraging van ruim drie jaar en zes maanden tussen het eerste terugvorderingssignaal en het besluit tot terugvordering een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel opleverde, zodat geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten worden afgezien. Hij verwees daarbij naar een eerdere uitspraak van de Raad uit 2001.
De Raad oordeelde dat het UWV op grond van artikel 36 van Pro de WW verplicht is onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen, tenzij er dringende redenen zijn om daarvan af te zien. Vertraging in besluitvorming vormt geen dringende reden, tenzij de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen heeft, wat hier niet het geval was.
De Raad bevestigde dat de eerdere uitspraak uit 2001 niet van toepassing was omdat die betrekking had op een andere wettelijke situatie. Ook de omissie en vertraging rechtvaardigen geen afwijking van de dwingendrechtelijke terugvorderingsplicht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van teveel betaalde WW-uitkering ondanks de vertraging in besluitvorming.