ECLI:NL:CRVB:2004:AR7384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering overneming vakantierechtwaarden wegens benadelingshandeling niet gerechtvaardigd
Gedaagde was van 29 maart 1999 tot 15 februari 2000 in dienst bij een bedrijf dat failliet ging. Na het faillissement vroeg gedaagde overneming van vakantierechtwaarden aan bij het UWV, die dit weigerde wegens vermeende benadelingshandeling omdat gedaagde onvoldoende actie zou hebben ondernomen tegen het uitblijven van betaling.
De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond, stellende dat van een werknemer niet direct gerechtelijke stappen kunnen worden verlangd en dat gedaagde tijdig zijn vakbond had ingeschakeld. Het UWV ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beleid van het UWV juist is dat na drie periodes van vier weken eerst informele pogingen moeten worden gedaan, gevolgd door meer gerichte actie via de vakbond en uiteindelijk gerechtelijke stappen binnen een maand. Gedaagde had na mondelinge aanmaningen niet de noodzakelijke verdere stappen ondernomen.
Desondanks vond de Raad dat niet zonder meer kon worden aangenomen dat verdere actie zinloos zou zijn geweest, mede gelet op een brief van de accountant en doorbetaling van loon tot 17 januari 2000. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van gedaagde ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en de weigering van overneming van vakantierechtwaarden gehandhaafd.