ECLI:NL:CRVB:2004:AR7178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering na geschil over oogklachten en maatmanloon
Appellant, geboren in 1961, viel op 27 maart 2000 uit wegens linkeroogklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van aanvankelijk 15-25%, later verhoogd naar 25-35% na bezwaar. De medische rapporten stelden vast dat de visus in het linkeroog nihil is, terwijl het rechteroog normaal functioneert. Appellant stelde dat er onvoldoende rekening was gehouden met beperkingen door zijn oogklachten en dat het maatmanloon te laag was vastgesteld.
De Raad overwoog dat de medische vaststellingen van de verzekeringsartsen juist zijn en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ook het rechteroog beperkt is. Daarnaast is het uitgangspunt voor het maatmanloon het inkomen dat een vergelijkbare persoon verdiende op het moment van arbeidsongeschiktheid. Hoewel appellant meende dat hij recht had op een hogere loonschaal, is vastgesteld dat hij de lagere schaal heeft geaccepteerd en dat er geen reden is hiervan af te wijken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en acht de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en het maatmanloon op goede gronden vastgesteld. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 25-35% en het vastgestelde maatmanloon.