ECLI:NL:CRVB:2004:AR7083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering en weigering WW-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid betrokkene
Betrokkene, werkzaam als metaalbewerker, viel op 16 augustus 1999 uit vanwege spanningsklachten en vroeg op 29 maart 2000 een WAO-uitkering aan. Het UWV oordeelde op basis van arbeidsdeskundige rapporten dat betrokkene geschikt was voor zijn eigen werk en trok de WAO-uitkering per 14 augustus 2000 in. Tevens werd de WW-uitkering geweigerd omdat betrokkene passende arbeid niet zou hebben aanvaard.
Betrokkene betwistte deze conclusies en voerde aan dat de arbeidsdeskundige rapporten onvoldoende rekening hielden met zijn visie op de arbeidsomstandigheden en werkdruk. De Raad oordeelt dat het UWV tekort is geschoten in de zorgvuldigheid van het onderzoek, omdat niet alle relevante feiten en betrokkene's zienswijze voldoende zijn betrokken en er geen aanvullend arbeidskundig en verzekeringsgeneeskundig advies is ingewonnen.
Daarom is het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en weigering van de WW-uitkering in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en gebrekkige onderbouwing.