ECLI:NL:CRVB:2004:AR6922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid en maatregel WW-uitkering bij niet-aanvaarden arbeidsovereenkomst
De zaak betreft een geschil over de weigering van een WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid. De werknemer had een jaarcontract met een proeftijd bij een werkgever en kreeg een nieuw contract aangeboden met wederom een proeftijd. Hij heeft dit contract niet ondertekend, mede vanwege problemen tijdens het dienstverband, waaronder discriminatie en onregelmatigheden in de arbeidsvoorwaarden.
De rechtbank had het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vernietigd en geoordeeld dat de werknemer niet in overwegende mate verweten kon worden dat hij het contract niet had aanvaard. De rechtbank matigde de maatregel tot een verlaging van de uitkering in plaats van volledige weigering.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad acht de redenen van de werknemer, zoals het ontvangen contract op een oud adres en het advies van de vakorganisatie, valide. Hoewel de werknemer de nieuwe arbeidsovereenkomst had moeten aanvaarden, kan hem niet in overwegende mate worden verweten dat hij dit niet deed.
De Raad veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten en heft griffierecht. De opgelegde maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt daarmee bevestigd als onterecht.
Uitkomst: De opgelegde maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering is onterecht en wordt vernietigd.