Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6922

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5796 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WWWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verwijtbare werkloosheid en maatregel WW-uitkering bij niet-aanvaarden arbeidsovereenkomst

De zaak betreft een geschil over de weigering van een WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid. De werknemer had een jaarcontract met een proeftijd bij een werkgever en kreeg een nieuw contract aangeboden met wederom een proeftijd. Hij heeft dit contract niet ondertekend, mede vanwege problemen tijdens het dienstverband, waaronder discriminatie en onregelmatigheden in de arbeidsvoorwaarden.

De rechtbank had het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vernietigd en geoordeeld dat de werknemer niet in overwegende mate verweten kon worden dat hij het contract niet had aanvaard. De rechtbank matigde de maatregel tot een verlaging van de uitkering in plaats van volledige weigering.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad acht de redenen van de werknemer, zoals het ontvangen contract op een oud adres en het advies van de vakorganisatie, valide. Hoewel de werknemer de nieuwe arbeidsovereenkomst had moeten aanvaarden, kan hem niet in overwegende mate worden verweten dat hij dit niet deed.

De Raad veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten en heft griffierecht. De opgelegde maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt daarmee bevestigd als onterecht.

Uitkomst: De opgelegde maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering is onterecht en wordt vernietigd.

Uitspraak

02/5796 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op de gronden aangegeven in het aanvullend beroepschrift hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 8 oktober 2002, reg.nr. WW 02/154, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 20 oktober 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J. Samson, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiser, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiser is, na het behalen van zijn vakdiploma, op basis van een jaarcontract met een proeftijd van twee maanden met ingang van 29 mei 2000, als automonteur in dienst getreden bij [naam bedrijf] Automobielbedrijf BV (hierna: de werkgever) met de bedoeling om gedurende dit jaar zijn diploma eerste monteur te behalen. Aan het eind van de contractsperiode heeft de werkgever aan eiser een nieuw jaarcontract met een proeftijd van twee maanden aangeboden. Nadat eiser hierop niet gereageerd had – hij was toen ziek thuis – heeft de werkgever hem bij brief van 5 juni 2001 in de gelegenheid gesteld om binnen vijf dagen de arbeidsovereenkomst getekend te retourneren. Bij uitblijven daarvan, zo heeft de werkgever bij dit schrijven aan eiser medegedeeld, zou hij de arbeidsovereenkomst op 28 mei 2001 als beëindigd beschouwen. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
Eiser heeft zich op 25 juni 2001 als werkzoekende laten inschrijven bij het Arbeidsbureau en op 7 juli 2001 de uitkering aangevraagd.
Bij het primaire besluit van 1 augustus 2001 heeft verweerder deze uitkering blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Eisers bezwaar heeft er toe geleid dat verweerder bij het bestreden besluit de grondslag van de weigering heeft gewijzigd.
Bij het hiertegen ingestelde beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het niet continueren van de arbeidsverhouding hem niet verweten kan worden, gelet op de problemen die zich hebben voorgedaan gedurende de looptijd van het jaarcontract. Eiser noemt in dit verband:
- het niet conform de CAO uitbetalen van salaris en, na daartoe via eisers vakorganisatie te zijn aangesproken, het slechts gedeeltelijk betalen van de terzake gedane vordering;
- het in strijd met de wet aanbieden van een nieuw jaarcontract met wederom een proeftijd van twee maanden;
- discriminatie door zijn directe chef, de heer [naam chef].
Met name laatstgenoemd aspect heeft bij eiser de doorslag gegeven om de arbeidsverhouding bij de werkgever niet voort te zetten. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser een verklaring overgelegd van een collega waarmee hij destijds heeft samengewerkt.
Ten aanzien van dit aspect heeft verweerder in het verweerschrift opgemerkt dat dit probleem kennelijk niet dringend genoeg was om binnen het bedrijf te bespreken of het contract eerder te beëindigen. Verder merkt verweerder op dat eiser pas in mei 2001 op zoek is gegaan naar ander werk, terwijl hij kennelijk al veel eerder wist dat hij niet langer bij deze werkgever wilde blijven. Eiser had het nieuwe contract moeten aanvaarden en ondertussen naar ander aansluitend werk kunnen zoeken.”
De rechtbank heeft het beroep tegen het op bezwaar gegeven besluit d.d. 6 december 2001 gegrond verklaard en dat besluit waarbij de uitkering blijvend geheel werd geweigerd op de grond dat gedaagde door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden, vernietigd. In de aangevallen uitspraak is daartoe overwogen dat gedaagde die in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW neergelegde verplichting heeft geschonden nu hij het hem door de werkgever aangeboden contract niet heeft aanvaard. De rechtbank is echter tot de overtuiging gekomen dat er sprake is van een situatie waarin het niet nakomen van die verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten en dat appellant derhalve had dienen te volstaan met een verlaging van het uitkeringspercentage van 70 naar 35 over een periode van 26 weken als bedoeld in artikel 27, eerste lid, tweede volzin, van de WW. De rechtbank heeft zich hierbij gebaseerd op hetgeen door en namens gedaagde ter zitting naar voren is gebracht omtrent de wijze waarop hij door zijn werkgever en een aantal collega’s is bejegend en op de gang van zaken rond het verlengen/opnieuw contracteren van gedaagde, waaronder het wederom opnemen van een proeftijd in het contract en de te lage inschaling.
In hoger beroep heeft appellant dit oordeel van de rechtbank bestreden en onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de Raad benadrukt dat er geen reden is om de opgelegde maatregel te matigen aangezien onder meer niet is gebleken dat gedaagde de problemen met betrekking tot de discriminatoire bejegening, waarvan hij de realiteit niet in twijfel trekt, tijdens het dienstverband bij zijn werkgever aan de orde heeft gesteld. Voorts heeft appellant zijn eerder ingenomen standpunt herhaald dat gedaagde niet eerder dan in mei 2001 aanleiding heeft gezien naar ander werk om te zien.
Gedaagde heeft zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat aanvaarding van de aangeboden arbeid om redenen van geestelijke en sociale aard niet van hem gevergd kon worden. Daarbij is primair gesteld dat de maatregel van blijvend gehele weigering ten onrechte is opgelegd en subsidiair gepleit voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid.
Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het besluit van 6 december 2001.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad stelt zich in grote lijnen achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat de door gedaagde aangevoerde redenen waarom hij niet per omgaande heeft gereageerd op de hem aangeboden nieuwe arbeidsovereenkomst naar het oordeel van de Raad valide zijn. In de eerste plaats heeft de werkgever het contract naar het adres van gedaagdes ouders verzonden, terwijl gedaagde daar op dat moment niet meer woonachtig was. Toen gedaagde het hem aangeboden contract in handen had gekregen, heeft hij zich voor advies omtrent de onduidelijkheden in het nieuwe contract gewend tot zijn vakorganisatie. Hij voelde weliswaar niet zoveel voor een nieuw contract, maar wilde via die werkgever wel de gelegenheid aangrijpen om zijn diploma eerste monteur te behalen. Toen gedaagde zich na de hem gestelde termijn op advies van zijn vakorganisatie tot de werkgever wendde, heeft deze zich op het standpunt gesteld dat er niet meer te praten viel. Onder deze omstandigheden is het niet alleen aan gedaagde te wijten dat zijn contract niet werd verlengd.
Hoewel vanuit het oogpunt van toepassing van de WW van gedaagde verlangd kon worden dat hij de nieuwe arbeidsovereenkomst aanvaardde, kan hem niet in overwegende mate worden verweten dat hij de op hem rustende verplichting passende arbeid te behouden niet is nagekomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de aan de zijde van gedaagde gevallen kosten in hoger beroep, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van
€ 409,-- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2004.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.
RB3011