ECLI:NL:CRVB:2004:AR6921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling niet-verzekeringsplichtig gemiddeld aantal arbeidsuren bij WW-uitkering
Appellant betwistte het besluit van 13 november 2002 waarin het niet-verzekeringsplichtig gemiddeld aantal arbeidsuren (vrij te laten uren) werd vastgesteld op 8 uur per week. Hij voerde aan dat de referteperiode onjuist was gekozen en dat onvoldoende rekening was gehouden met een verklaring over de omvang van zijn zelfstandige werkzaamheden.
De rechtbank had het bezwaar van appellant tegen een eerdere vaststelling van 6 uur gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarna het aantal uren werd verhoogd naar 8. De Raad overwoog dat het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak niet-ontvankelijk was omdat het nieuwe besluit van 13 november 2002 al het bezwaar deels tegemoet kwam.
De Raad verwierp de grief over de referteperiode wegens te late indiening en oordeelde dat het aantal vrij te laten uren terecht op 8 uur was gesteld. De verklaring over werkzaamheden voor het maandblad de Westereender werd onvoldoende onderbouwd geacht om het aantal uren te verhogen.
De Raad handhaafde het besluit van 13 november 2002 en wees het beroep ongegrond, waarmee het terug te vorderen bedrag van € 5.006,19 werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 13 november 2002 tot vaststelling van 8 vrij te laten uren per week wordt gehandhaafd.