ECLI:NL:CRVB:2004:AR6840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Hoogeveen
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering werkzaamheden in proeftijd leidt tot verwijtbare werkloosheid en weigering WW-uitkering
Appellant was sinds kort in dienst bij de Amsterdamse Hengelsportvereniging en zat nog in zijn proeftijd toen hij op 18 september 2001 weigerde de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten. Dit betrof het tillen van kratjes bier, wat volgens een verzekeringsarts binnen zijn belastbaarheid viel. Ondanks rugklachten weigerde appellant deze taken uit te voeren en toonde hij zich weinig plooibaar tegenover zijn werkgever.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot daarop zijn WW-uitkering geheel te weigeren op grond dat hij door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos was omdat hij de werkzaamheden tijdens zijn proeftijd zonder gegronde reden weigerde en dat er geen aanwijzingen waren voor verminderde verwijtbaarheid. Ook de mogelijkheid om de werkzaamheden te spreiden of hulp van de werkgever in te roepen, maakte dit niet anders. Het bestreden besluit tot weigering van de WW-uitkering bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is en wijst het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering af.