ECLI:NL:CRVB:2004:AR6820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dienstbetrekking bij inzet van arbeidskrachten in tuinbouwbedrijf
Appellant, een tuinbouwer, voerde hoger beroep tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat premies sociale verzekeringen oplegde over de jaren 1996 tot en met 1999. Het Uwv had vastgesteld dat appellant gebruik maakte van arbeidskrachten die in een dienstbetrekking stonden, wat door de rechtbank Rotterdam eerder was bevestigd.
De kern van het geschil betrof de vraag of de arbeidskrachten, met name [betrokkene 1] en diens medewerker [betrokkene 2], als werknemers in dienstbetrekking konden worden aangemerkt. Appellant stelde dat er geen persoonlijke arbeidsverrichting was en dat vervanging mogelijk was, waardoor geen dienstbetrekking zou bestaan.
De Raad oordeelde dat ook indien de persoonlijke arbeidsverrichting ter discussie staat, artikel 4 van Pro de werknemersverzekeringswetten van toepassing is. Dit artikel stelt dat ook personen die persoonlijk werk verrichten op basis van een aannemingsovereenkomst en hun assistenten als werknemers worden beschouwd. De Raad concludeerde dat er geen zelfstandig ondernemerschap was en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.