ECLI:NL:CRVB:2004:AR6807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding voor herziening nabestaandenuitkering
De zaak betreft een hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank tegen een uitspraak van de rechtbank Dordrecht die een besluit tot herziening van een nabestaandenuitkering vernietigde. De herziening was gebaseerd op het vermoeden dat gedaagde een gezamenlijke huishouding voerde met een partner, waardoor de uitkering zou moeten worden ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep heeft het dossier onderzocht, waaronder verklaringen van getuigen en gedaagde zelf. De Raad bevestigt dat volgens artikel 3 van Pro de Algemene nabestaandenwet (Anw) een gezamenlijke huishouding objectief moet worden vastgesteld, waarbij het hoofdverblijf in dezelfde woning een essentieel criterium is. Uit de stukken bleek dat gedaagde en haar partner op verschillende adressen stonden ingeschreven en dat gedaagde regelmatig verbleef in haar eigen woning, wat onvoldoende bewijs vormt voor gezamenlijk hoofdverblijf.
Hoewel gedaagde vanaf april 2000 werkzaamheden vanuit de woning van haar partner organiseerde en daar vaker verbleef, ontbraken objectieve gegevens zoals observaties of getuigenverklaringen die een feitelijke gezamenlijke huishouding aannemelijk maken. De Raad concludeert dat het eerste criterium niet is vervuld en bevestigt daarmee het vernietigde besluit van de rechtbank.
De Raad draagt appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen en legt een griffierecht op. Het arrest is gewezen door mr. C. van Viegen en uitgesproken op 30 november 2004.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van het besluit tot herziening van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.