ECLI:NL:CRVB:2004:AR6658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering zonder dringende redenen
Appellant werd per 1 september 2000 ontslagen en ontving vanaf die datum een WW-uitkering. Later werd de arbeidsovereenkomst ontbonden met vergoeding aan appellant. Gedaagde stelde vast dat een deel van de WW-uitkering onverschuldigd was betaald en besloot tot terugvordering.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat vanwege vertraging in het terugvorderingsbesluit en wijzigingen in belastingregels sprake was van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Hij voerde aan dat hij vertrouwde op een netto terugbetaling.
De Raad oordeelde dat het terugvorderingsbesluit tijdig en voortvarend was genomen en dat de omstandigheden geen dringende redenen opleverden zoals bedoeld in artikel 36, vierde lid, WW. Ook was geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering wordt bevestigd.