ECLI:NL:CRVB:2004:AR6580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid op peildatum
Appellant, werkzaam sinds juni 1999, vroeg een WAO-uitkering aan na afloop van de wachttijd van 52 weken. Gedaagde, het UWV, weigerde de uitkering op grond van artikel 30, lid 1, onder a, WAO, omdat arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering zou hebben bestaan. Na bezwaar en een medische herbeoordeling werd het primaire besluit herzien, maar de weigering gehandhaafd omdat op de datum van 18 augustus 2000 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid volgens artikel 18, lid 1, WAO.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan wel arbeidsongeschikt te zijn door lichamelijke en psychische klachten. Hij overhandigde onder meer een brief van het CBR over psychiatrische problematiek, maar deze betrof een latere datum. De Raad overwoog dat alleen objectief vastgestelde beperkingen op de peildatum relevant zijn. De medische rapporten, inclusief die van een onafhankelijke psychiater, toonden geen aanwijzingen voor beperkingen.
De Raad concludeerde dat appellant op de datum in kwestie niet arbeidsongeschikt was en dat geen nieuwe medische gegevens dit oordeel ondermijnden. Het verzoek om benoeming van een deskundige werd afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van objectieve arbeidsongeschiktheid op de peildatum.