ECLI:NL:CRVB:2004:AR6404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Vergoeding bij verbreking arbeidsovereenkomst onder Belgisch recht en toepassing Nederlandse WW
Gedaagde was sinds 1 april 1998 werkzaam als directeur bij een Belgische werkgever onder Belgisch arbeidsrecht. De arbeidsovereenkomst werd op 17 april 2000 verbroken, waarbij een verbrekingsvergoeding werd overeengekomen die overeenkomt met zes maanden loon, conform de Belgische opzegtermijn.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), weigerde de WW-uitkering tot 17 oktober 2000 toe te kennen en stelde de verbrekingsvergoeding gelijk aan loon over de opzegtermijn op grond van artikel 16 lid 3 WW Pro. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de Nederlandse opzegtermijn volgens artikel 7:672 BW Pro maatgevend is, niet het Belgische recht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en verwijst naar een eerdere uitspraak waarin dezelfde rechtsvraag is behandeld. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde en gelast een recht van € 409,- te heffen van het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Nederlandse opzegtermijn geldt bij de berekening van de rechtens geldende termijn in artikel 16 lid 3 WW, niet het Belgische recht.