ECLI:NL:CRVB:2004:AR6399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep na opheffing schorsing WW-uitkering
Appellant J.J.H.A. Janssen was het niet eens met de beëindiging van de schorsing van zijn WW-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Nadat de schorsing per 4 november 2002 was opgeheven, verklaarde het Uwv het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit van 6 januari 2003 ongegrond. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat met de opheffing van de schorsing volledig tegemoet was gekomen aan de belangen van appellant. De door appellant aangevoerde gronden hadden betrekking op gebeurtenissen en perioden die niet direct verband hielden met het bestreden besluit.
De Raad zag geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen en bevestigde daarom de niet-ontvankelijkheidsverklaring van de rechtbank. De uitspraak werd uitgesproken door mr. H.G. Rottier op 10 november 2004.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na opheffing van de schorsing van de WW-uitkering.