ECLI:NL:CRVB:2004:AR6242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering zelfstandige na verlies werknemerschap
Appellant richtte in 1997 samen met anderen een vennootschap op en begon in 1998 werkzaamheden als zelfstandige in een strandpaviljoen. Hij ontving vanaf 1 januari 1998 een WW-uitkering, die later deels werd beëindigd vanwege zelfstandige werkzaamheden. Na onderzoek door de opsporingsdienst werd geconcludeerd dat appellant vanaf 6 april 1998 volledig als zelfstandige werkte en geen recht meer had op WW-uitkering. De uitkering werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet geloofwaardig was over de gewerkte uren en dat tegenstrijdige opgaven waren gedaan. Ook het feit dat appellant strafrechtelijk was vrijgesproken, deed hieraan niet af. De Raad toetste dit oordeel en bevestigde dat appellant voldoende uren als zelfstandige werkte om het werknemerschap te verliezen en dat de terugvordering terecht was.
Appellants argumenten over het niet meenemen van onderzoeksresultaten en het onterecht negeren van urenopgaven werden verworpen. De Raad oordeelde dat het verzoek tot ongedaan maken van de zelfstandigenaftrek pas na het opsporingsgesprek was gedaan en dat dit niet betekent dat de oorspronkelijke urenopgave onjuist was. De strafrechtelijke vrijspraak was niet relevant voor de bestuursrechtelijke beoordeling. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de terugvordering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering vanaf 6 april 1998.