ECLI:NL:CRVB:2004:AR6102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke rente over nabetaalde WAO-uitkering bij onrechtmatige besluitvorming
Appellant stelde beroep in tegen de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) omtrent de vergoeding van wettelijke rente over een nabetaling van WAO-uitkeringen. De nabetaling betrof een periode van 12 september 1975 tot 1 februari 1994, voortvloeiend uit het vervallen van een onrechtmatig besluit uit 1977.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat op grond van het oude artikel 1286 BW Pro wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf het moment van vordering of na schriftelijke aanmaning, en dat geen aanmaning was gegeven. De Raad onderschreef deze uitleg en verwierp het beroep.
Appellant voerde aan dat rente ook vanaf 1 januari 1992 of 1 februari 1994 verschuldigd zou zijn en dat de rechtbank zich onterecht niet had uitgelaten over een bedrag van fl. 8.987,75. De Raad oordeelde dat de rechtbank de wettelijke systematiek juist had toegepast en dat het genoemde bedrag niet in het bestreden besluit was betrokken.
De Raad wees verder op eerdere jurisprudentie waarin werd bevestigd dat bij onrechtmatige besluitvorming van vóór 1992 het oude recht geldt, en dat het Uwv als opvolger van eerdere instanties de rechten en verplichtingen heeft overgenomen. De Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees het beroep af.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en er is geen wettelijke rente verschuldigd over de nabetaling van vóór 1 januari 1992 zonder schriftelijke aanmaning.