ECLI:NL:CRVB:2004:AR6021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen sinds 1980 een bijstandsuitkering, laatstelijk berekend naar de norm voor een alleenstaande. Na een strafrechtelijk financieel onderzoek waarbij contant geld en luxe goederen werden aangetroffen, stelde de gemeente vast dat appellanten over 1998 en 1999 beschikten over middelen die niet waren gemeld. Hierdoor werd de inlichtingenplicht geschonden en werd de bijstand over 1999 ingetrokken en over 1998 herzien met terugvordering van de te veel ontvangen bedragen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het onderzoek, inclusief een kasopstelling en verklaringen van appellanten, voldoende bewijs leverde dat zij over niet-gemelde middelen beschikten. De Raad verwierp het verweer dat de aangetroffen goederen aan derden toebehoorden vanwege gebrek aan bewijs.
Verder oordeelde de Raad dat geen dringende redenen bestonden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ook werd het beroep op schending van de redelijke termijn verworpen, mede vanwege het procesgedrag van appellanten. De Raad bevestigde daarmee de intrekking en terugvordering van de bijstand en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht.