ECLI:NL:CRVB:2004:AR5993

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4043 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep en doorzending beroepschrift als bezwaarschrift in WAO-uitkeringszaak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn aanspraken op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het geschil betreft de toekenning van een WAO-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vanwege arbeidsongeschiktheid vanaf 30 mei 2000.

De Centrale Raad van Beroep overweegt ambtshalve dat tegen het besluit van 23 mei 2001, dat het bezwaar van appellant ongegrond verklaarde, geen beroep openstaat maar alleen bezwaar. Hierdoor had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren en het beroepschrift moeten doorzenden als bezwaarschrift.

Daarnaast wijst de Raad erop dat appellant de bewijslast draagt voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst met La Provence Restaurants Ltd. De Raad constateert dat er geen proceskostenvergoeding is toegekend. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift doorgezonden voor behandeling als bezwaar.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift wordt als bezwaarschrift door het bestuursorgaan behandeld.

Uitspraak

02/4043 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de op 28 juni 2002 door de rechtbank ’s-Gravenhage onder kenmerk 01/2248 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft op 9 november 2002 een verklaring ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 september 2004, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. A.J. Verdonk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Op een daartoe strekkende aanvraag van appellant heeft gedaagde appellant bij beschikking van 22 januari 2001 ter zake van op 1 juni 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid ingaande 30 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen toegekend. Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt, aanvoerende dat hij uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking op 1 juni 1999 verzekerd was op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Bij besluit van 23 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij onder meer overwogen, zakelijk, dat niet aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde van belang verzekerd was op grond van de WAO en dat hem daarom terecht een uitkering op grond van die wet is onthouden. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Ambtshalve overweegt de Raad het volgende.
Het eerste besluit omtrent de aanspraken van appellant op grond van de WAO is voormeld besluit van 23 mei 2001. Daartegen staat, ingevolge artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, anders dan onder het bestreden besluit staat vermeld, geen beroep, maar bezwaar open. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren en het inleidend beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift had moeten doorsturen.
Ten overvloede overweegt de Raad dat - tegenover de thans beschikbare, in andere richting wijzende gegevens - op appellant de bewijslast rust van het bestaan van een arbeidsovereenkomst met La Provence Restaurants Ltd.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk;
Verstaat dat gedaagde het inleidend beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling zal nemen.
Gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
TTAG 9/11’04