ECLI:NL:CRVB:2004:AR5973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugwerkende kracht WAO-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om zijn WAO-uitkering met ingang van 7 januari 2001 toe te kennen, maar slechts met terugwerkende kracht tot een jaar voor de aanvraagdatum van 7 januari 2002. Appellant stelde dat hij al eerder contact had gezocht voor een uitkering, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank oordeelde dat appellant zich bewust was van zijn beperkingen en niet eerder stappen heeft ondernomen, waardoor geen sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid van de WAO. De Raad heeft het onderzoek heropend, aanvullende stukken ontvangen en het faxbericht uit 1992 op de harde schijf van appellant onderzocht, maar dit bericht was niet aantoonbaar verzonden naar het UWV.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder dan 7 januari 2002 een aanvraag heeft gedaan en dat geen bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum van de uitkering rechtvaardigen. De beslissing van het UWV wordt daarom bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag wegens ontbreken van een bijzonder geval.