ECLI:NL:CRVB:2004:AR5723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid voor premies bij inlening Poolse werknemers via schijnconstructie
Appellante exploiteert een tuinbouwbedrijf en maakte gebruik van Poolse werknemers via een coöperatie die als uitzendbureau fungeerde. Gedaagde stelde appellante hoofdelijk aansprakelijk voor niet-betaalde premies sociale verzekeringen over de jaren 1994 tot en met 1998. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat de constructie van de coöperatie als schijnconstructie moet worden aangemerkt en dat de Poolse werknemers in fictieve dienstbetrekking stonden tot de coöperatie en feitelijk aan appellante werden uitgeleend. Appellante heeft niet kunnen aantonen dat geen sprake was van inlening, terwijl zij zelf mededeling deed van de gewerkte uren. De premieschuld van de coöperatie ontstond reeds bij de loonbetalingen en is niet betaald, waardoor aansprakelijkstelling van de inlener gerechtvaardigd is.
De Raad vindt de berekening van de premieschuld juist en ziet geen aanleiding tot matiging of vernietiging van de aansprakelijkstelling. Ook is geen sprake van schending van de redelijke termijn of van een vertrouwensbeginsel jegens appellante. Het onderzoek door gedaagde is voortvarend en zorgvuldig uitgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de aansprakelijkheid van appellante voor de premies wordt vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aansprakelijkheid van appellante voor de premies sociale verzekeringen over 1994-1998.