ECLI:NL:CRVB:2004:AR5585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens vermogen auto en schending redelijke termijn
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Tijdens bezwaar werd vastgesteld dat zij een auto op haar naam had staan, wat leidde tot herziening en intrekking van haar recht op bijstand over de periode 1996-1999 vanwege een vermogen boven de vrijlatingsgrens. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de auto tot het vermogen van appellante behoort, omdat het kentekenbewijs op haar naam stond en zij onvoldoende bewijs leverde dat de auto niet haar eigendom was. Hierdoor was sprake van schending van de inlichtingenverplichting. De Raad vernietigt echter het besluit voor zover het berust op een onjuiste wettelijke grondslag, omdat de intrekking betrekking heeft op een periode vóór 1 juli 1997.
Verder oordeelt de Raad dat de procedure onredelijk lang heeft geduurd (vier jaar en negen maanden), wat een schending van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro inhoudt. Ondanks deze overschrijding blijft de intrekking van het recht op bijstand en de terugvordering van kosten rechtsgeldig. De Raad veroordeelt de gemeente Leeuwarden tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het recht op bijstand en terugvordering wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; procedure overschreed redelijke termijn.