ECLI:NL:CRVB:2004:AR5555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens niet opgegeven werkzaamheden
Appellant ontving sinds maart 1999 een WW-uitkering. Na een strafrechtelijk onderzoek waarbij zijn echtgenote als verdachte werd aangemerkt, kwam uit een rapport naar voren dat appellant van juni tot september 2000 werkzaamheden verrichtte die niet waren opgegeven. Gedaagde herzag daarop de uitkering met terugwerkende kracht en vorderde ten onrechte ontvangen bedragen terug.
Appellant maakte bezwaar, maar stelde geen gronden op tijd kenbaar, waardoor dit bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat het herzieningsbesluit formele rechtskracht had gekregen en dat de terugvordering terecht was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte aan het herzieningsbesluit rechtskracht toekende en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De Raad overwoog dat nu het herzieningsbesluit onherroepelijk is, de rechtmatigheid daarvan niet meer ter beoordeling staat. De terugvordering is daarmee gerechtvaardigd en er zijn geen dringende redenen om daarvan af te zien. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.