ECLI:NL:CRVB:2004:AR5546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens verlies werknemerschap door zelfstandige werkzaamheden
In deze zaak stond centraal of appellant terecht zijn WW-uitkering verloor omdat hij werkzaamheden als zelfstandige verrichtte, waardoor hij zijn werknemerschap verloor. De Raad toetste het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat de WW-uitkering per 7 september 1996 werd beëindigd en dat de ten onrechte betaalde uitkering over de periode tot 22 januari 2001 moest worden teruggevorderd.
De Raad hechtte aan de eerste ondertekende verklaring van appellant, die zwaarder woog dan latere nuanceringen. Er was geen aanwijzing dat deze verklaring onder dwang of druk was afgelegd. De werkzaamheden van appellant werden niet als hobby of liefdadigheid gezien en het aantal gewerkte uren was bepalend, niet de geringe verdiensten.
Appellants nieuwe argumenten in hoger beroep brachten geen nieuwe feiten of gronden. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en zag geen reden tot afwijking. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WW-uitkering en de terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen.