ECLI:NL:CRVB:2004:AR4762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken Nederlandse nationaliteit en verblijfsvergunning
Appellant, van Turkse nationaliteit, vroeg om een bijstandsuitkering die werd afgewezen omdat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit en niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden. Hij beriep zich op het EVSMB, IVBPR en het Associatiebesluit EEG-Turkije.
De Raad oordeelde dat de Koppelingswetgeving, die een verblijfsvergunning vereist om met een Nederlander gelijkgesteld te worden en aanspraak te maken op bijstand, gerechtvaardigd is. Het rechtmatig verblijf volgens de Vreemdelingenwet 2000 betekent niet automatisch dat het discriminatieverbod van het EVSMB en IVBPR van toepassing is, aangezien daarvoor een geldige verblijfsvergunning vereist is.
De Raad bevestigde dat appellant geen aanspraak kan maken op bijstand op grond van internationale verdragen en dat de afwijzing een geschikt en noodzakelijk middel is om het doel van de Koppelingswet te bereiken. Het beroep op het Associatiebesluit faalde omdat appellant niet kwalificeerde als een Turkse werknemer met toegang tot de legale arbeidsmarkt.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd, waarmee de afwijzing van de bijstandsuitkering stand hield.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering aan appellant wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en Nederlandse nationaliteit wordt bevestigd.