ECLI:NL:CRVB:2004:AR4488

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4446 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbHoofdstuk IV WW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit over vergoeding niet opgenomen vakantiedagen na faillissement werkgever

Appellant, voormalig internationaal chauffeur bij Emitrans Europe B.V., vordert vergoeding van 26 niet opgenomen vakantiedagen na het faillissement van zijn werkgever. De curator had de dienstbetrekking opgezegd en een overzicht verstrekt van tegoeden van vakantiedagen, waarop gedaagde de betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV van de WW wilde overnemen.

Gedaagde verstrekte een vergoeding voor 14 vakantiedagen, waarna appellant bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogt appellant dat hij geen enkele vakantiedag heeft opgenomen en dus recht heeft op vergoeding van 26 dagen.

De Raad concludeert dat appellant geen bewijs heeft geleverd ter onderbouwing van zijn standpunt en dat gedaagde terecht is uitgegaan van de opgave van de curator. De Raad ziet geen reden om deze gegevens in twijfel te trekken en bevestigt het bestreden besluit.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot vergoeding van 14 niet opgenomen vakantiedagen wordt bevestigd.

Uitspraak

02/4446 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij de Unie, de vakbond voor industrie en dienstverlening, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam, reg.nr. AWB 01/4211 WW, op 29 juli 2002 gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 8 september 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.L. Zondervan, werkzaam bij de Stichting Utrechtse Juristengroep, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.H.W. Verberne, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidwet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant is vanaf 14 juni 1999 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam geweest als internationaal chauffeur bij Emitrans Europe B.V. (verder: werkgever of Emitrans). Deze werkgever is bij vonnis van de rechtbank Breda van 4 juli 2000 in staat van faillissement verklaard, waarna bij brief van 10 juli 2000 door de curator de dienstbetrekking is opgezegd. Appellant heeft gedaagde verzocht om op grond van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van Emitrans, waaronder de betaling van 26 niet opgenomen vakantiedagen, over te nemen.
Bij het bestreden besluit van 16 april 2002 heeft gedaagde beslissende op het bezwaar van appellant tegen het besluit van gedaagde van 8 december 2000, onder meer aan appellant een vergoeding voor 14 niet opgenomen vakantiedagen verstrekt.
De rechtbank heeft het namens appellant tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag hoeveel vakantiedagen voor overneming door gedaagde in aanmerking komen.
De Raad overweegt hiertoe als volgt.
Appellant blijft zich ook in hoger beroep op het standpunt stellen dat hij in de periode hier van belang geen enkele vakantiedag heeft opgenomen en derhalve recht heeft op een vergoeding van 26 vakantiedagen. De Raad merkt naar aanleiding daarvan op dat appellant geen enkel gegeven heeft overlegd noch enige onderbouwing heeft gegeven met betrekking tot dat standpunt. Dat standpunt berust op de loutere ontkenning van het aantal door de curator genoemde niet opgenomen vakantiedagen. Van appellant kan echter ten minste een begin van bewijs voor zijn stellingen worden verwacht, mede gelet op het feit dat hij zich op het weinig geloofwaardige standpunt heeft gesteld dat hij in de periode van 1 jaar voorafgaand aan het faillissement in het geheel geen vakantie heeft genoten. Met de rechtbank is de Raad, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, van oordeel dat gedaagde voor de vaststelling van de vakantiedagen heeft mogen afgaan op de opgave van de curator, uit welke opgave blijkt dat Emitrans een overzicht heeft verstrekt van de tegoeden van vakantiedagen van een vijftal chauffeurs die daar in dienst waren waaronder appellant. Ook de Raad ziet onvoldoende reden om die opgave in twijfel te trekken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
RB1910