ECLI:NL:CRVB:2004:AR4350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 1987 werkzaam bij Licom N.V. in een functie binnen de Wet Sociale Werkvoorziening. In 1998 gaf hij aan toe te zijn aan een nieuwe uitdaging, waarna de werkgever hem diverse andere functies aanbood die hij niet accepteerde. Op 3 december 1999 werd hem meegedeeld dat hij thuis kon blijven en zijn oorspronkelijke werkzaamheden niet hoefde te hervatten. De arbeidsovereenkomst werd per 1 september 2000 opgezegd omdat er geen andere arbeidsmogelijkheden waren.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die per 1 november 2000 werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Het bezwaar werd op 21 februari 2001 ongegrond verklaard met de grond dat appellant zijn werk had kunnen hervatten en daarmee de beëindiging van de dienstbetrekking aan zichzelf te wijten had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het gedrag van appellant, het niet hervatten van zijn werk terwijl hij daarvoor toestemming had en niet werd gevraagd het werk te hervatten, niet kan worden aangemerkt als verwijtbaar meewerken aan beëindiging van de dienstbetrekking. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat een nieuw besluit moet worden genomen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.