ECLI:NL:CRVB:2004:AR4206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- G.J.H. Doornewaard
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering Ziektewetuitkering wegens ongeschiktheid arbeid
Appellant, die sinds 1984 arbeidsongeschikt was verklaard en diverse uitkeringen ontving, werd door het UWV per 21 juli 1999 als geschikt voor arbeid beschouwd, waardoor zijn recht op ziekengeld werd beëindigd. Appellant voerde medische klachten aan, waaronder psychische aandoeningen, en stelde ongeschikt te zijn voor de functies waarvoor hij volgens WAO-beoordeling geschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders. De Raad hechtte bijzondere waarde aan het rapport van psychiater Van Tilburg, die stelde dat appellant op de beslissende datum leed aan een dysthyme of mogelijk depressieve stoornis, waardoor geschiktheid voor de functies werd betwijfeld.
De Raad volgt het vaste jurisprudentie dat ongeschiktheid in de Ziektewet niet alleen afhangt van de laatst verrichte arbeid, maar ook van geschiktheid voor functies die bij WAO-beoordeling zijn vastgesteld. Gezien de medische rapporten acht de Raad het besluit van het UWV onjuist en vernietigt het. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt vernietigd en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.