ECLI:NL:CRVB:2004:AR3858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- G.J.H. Doornewaard
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens te verwachten arbeidsongeschiktheid binnen half jaar
Appellant is op 4 juni 2001 begonnen met werken als paprikaplukker na een periode van bijstandsuitkering. Op 24 september 2001 meldde hij zich ziek vanwege rugklachten. Gedaagde weigerde aanvankelijk ziekengeld op grond van artikel 44 Ziektewet Pro omdat de ongeschiktheid tot werken binnen een half jaar na aanvang van de verzekering te verwachten was. Na bezwaar werd de primaire weigeringsgrond herroepen, maar de subsidiaire grond gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn werkzaamheden licht waren en dat zijn klachten niet zouden verergeren. De Raad overwoog dat volgens vaste jurisprudentie een stellige verwachting moet bestaan dat de ongeschiktheid binnen een half jaar zal intreden. Appellant had reeds drie jaar rugklachten bij aanvang van zijn werk als paprikaplukker, een functie die vrijwel continu staand werk vereist zonder afwisseling, wat volgens een medisch rapport vrijwel zeker tot uitval leidt bij mensen met chronische rugklachten.
De Raad onderschreef het standpunt van gedaagde en de medisch onderbouwde zienswijze dat de gezondheidstoestand van appellant het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten. Er waren geen omstandigheden die gedaagde noopten van het beleid af te wijken. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en de weigering van ziekengeld gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens te verwachten arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar.