ECLI:NL:CRVB:2004:AR3845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- G.J.H. Doornewaard
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van ziekengeld na bevalling wegens ontbreken causaliteit met zwangerschap
Betrokkene, werkzaam als activiteitenbegeleidster, meldde zich op 25 juni 1999 wegens zwangerschapsklachten ziek. Na haar bevalling op 29 december 1999 ontving zij tot 9 maart 2000 een bevallingsuitkering op grond van artikel 29a van de Ziektewet. Daarna weigerde het UWV de uitkering voort te zetten, omdat de klachten niet als gevolg van de zwangerschap of bevalling werden beschouwd.
De rechtbank Arnhem vernietigde dit besluit en verklaarde het beroep gegrond, maar de Centrale Raad van Beroep kwam tot een ander oordeel. Uit medisch onderzoek en rapportages van verzekeringsartsen bleek dat de klachten van betrokkene, zoals vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn, niet het gevolg waren van de bevalling maar eerder van uitputting door omgevingsfactoren, zoals slaaptekort door de zorg voor het kind.
De Raad achtte het causaliteitsvereiste uit artikel 29a Ziektewet niet vervuld en vond het besluit van het UWV niet onzorgvuldig. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van het UWV ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de uitkering op grond van artikel 29a Ziektewet wordt terecht geweigerd.