Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR3501

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2910 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten wegens niet-hoofdverblijf

Appellant diende op 28 maart 2000 aanvragen in voor bijzondere bijstand in woninginrichtingskosten en woonkostentoeslag op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van Eindhoven wees deze aanvragen bij besluit van 29 mei 2000 af, omdat niet was komen vast te staan dat appellant de woning als hoofdverblijf bewoonde.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres, maar vanwege de gebrekkige inrichting minder verbleef dan gewenst. De Raad van Beroep stelde vast dat bij huisbezoeken op 25 april en 26 mei 2000 essentiële woonvoorzieningen en persoonlijke benodigdheden ontbraken, wat het aannemelijk maakte dat appellant niet op het adres woonde.

Gezien het ontbreken van het hoofdverblijf op het adres achtte de Raad de kosten niet noodzakelijk in de zin van artikel 39 Abw Pro en bevestigde het de afwijzing van de bijzondere bijstand. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvragen voor bijzondere bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde.

Uitspraak

02/2910 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 april 2002, reg.nr. AWB 00/7602 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Strijbosch, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.L.J. Martens, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op 28 maart 2000 in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand in woninginrichtingskosten en voor woonkostentoeslag.
Bij besluit van 29 mei 2000 heeft gedaagde de aanvragen afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet is gebleken dat het gaat om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39 van Pro de Abw, aangezien aangenomen kan worden dat appellant de woning niet bewoont, althans niet tot hoofdverblijf heeft.
Gedaagde heeft dit besluit gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 7 november 2000.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van
7 november 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij op het opgegeven adres, [adres] te [woonplaats], zijn hoofdverblijf had, maar dat hij daar juist door de gebrekkige inrichting minder heeft verbleven dan hij zou hebben gewild.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat het op grond van de bevindingen bij de twee huisbezoeken, die op 25 april 2000 en 26 mei 2000 hebben plaatsgevonden, aannemelijk is dat appellant ten tijde van de in geding zijnde aanvraag niet woonde op het door hem opgegeven adres.
De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat, hoewel appellant de woning al vanaf 15 december 1999 huurde, bij beide huisbezoeken zelfs de meest elementaire woonvoorzieningen zoals verlichting, kookgelegenheid en een koelkast, alsmede eerste levensbehoeften zoals eten, drinken en toiletspullen, ontbraken. Ook belangrijke persoonlijke papieren bleken niet in de woning aanwezig te zijn.
Aangezien kosten voor een woning die men niet bewoont bezwaarlijk kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 39 van Pro de Abw, volgt uit het vorenstaande dat gedaagde de aanvragen terecht heeft afgewezen.
Het hoger beroep kan derhalve niet slagen en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
TG17092004