ECLI:NL:CRVB:2004:AR3432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling termijnoverschrijding bij bezwaar tegen terugvordering nabestaandenuitkering
Appellante maakte bezwaar tegen twee besluiten van de Sociale verzekeringsbank (SVB) betreffende terugvordering van te veel betaalde nabestaandenuitkering over verschillende perioden. De eerste terugvordering over januari 1998 tot juni 1999 werd door appellante geaccepteerd. De tweede terugvordering over juli 1999 tot mei 2000 werd betwist.
De SVB verklaarde het bezwaar tegen de tweede terugvordering niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de wettelijke termijn was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de termijnoverschrijding terecht werd toegepast. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de besluiten betreffende de tweede terugvordering rechtens onaantastbaar zijn geworden en dat appellante geen belang meer had bij het bezwaar tegen het eerste besluit.
De Raad overweegt dat de Awb geen grond biedt om het bezwaar buiten de termijn alsnog inhoudelijk te behandelen. Het beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid wordt daarom ongegrond verklaard. Tevens wordt een vergoeding van het betaalde recht van € 87,- aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de tweede terugvordering is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen dit besluit is ongegrond.