ECLI:NL:CRVB:2004:AR2915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens overschrijding termijn
Appellante werd geconfronteerd met een terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), voorheen het Lisv. Het primaire besluit tot terugvordering dateert van 21 januari 1999. Appellante stelde pas in oktober 2001 bezwaar te hebben gemaakt, ruim na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij pas door een deurwaardersbrief in september 2001 kennis had genomen van het besluit, waardoor de termijn niet te laat was overschreden. De Raad overwoog dat het besluit op juiste wijze en tijdig was bekendgemaakt en dat het risico van niet-tijdige ontvangst voor rekening van appellante komt.
De Raad achtte aannemelijk dat appellante het besluit wel degelijk tijdig had ontvangen, mede gelet op haar herhaalde telefonische reacties op het besluit. De stelling dat zij pas in september 2001 bekend werd met het besluit werd als niet geloofwaardig verworpen. De overschrijding van de bezwaartermijn was derhalve niet verschoonbaar. De Centrale Raad bevestigde het bestreden vonnis en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de terugvordering van de WAO-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.