ECLI:NL:CRVB:2004:AR2856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant verzocht om een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarbij de eerste arbeidsongeschiktheidsdag aanvankelijk werd gesteld op 24 april 1991. Het UWV stelde deze datum arbitrair vast op 1 januari 1988, omdat appellant al sinds 1988 bekend was met rugklachten. Appellant voldeed echter niet aan de inkomenseis die vereist is voor toekenning van de uitkering.
Appellant stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid al per 1 mei 1978 was ingetreden en verzocht om terugkomen op de intrekking van zijn WAO-uitkering per die datum. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat de medische gegevens voldoende basis bieden voor de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 januari 1988 en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder arbeidsongeschikt was. Het verzoek om terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering per 1 mei 1978 werd daarom terecht afgewezen.
De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde de aangevallen uitspraken, waarmee het verzoek van appellant werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering per 1 mei 1978 wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.