ECLI:NL:CRVB:2004:AR2644
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant had bijstandsuitkering aangevraagd en toegekend gekregen met ingang van 2 februari 2000. Deze uitkering werd per 24 mei 2000 beëindigd omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw). Appellant maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar dit werd ongegrond verklaard door het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand omdat hij geen vreemdeling was in de zin van de Vreemdelingenwet en niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander volgens de Abw. Tevens werd geoordeeld dat de beëindiging geen onrechtvaardig onderscheid naar nationaliteit vormde en niet in strijd was met het Europees Verdrag voor Sociale en Medische Bijstand. Het beroep op het Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije werd ook verworpen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en voegde toe dat de afwijzing van het verzoek om bijstand na 1 juli 1998 een geschikt en noodzakelijk middel is om het doel van artikel 7 van Pro de Abw te bereiken. De Raad zag geen aanleiding om de eerdere uitspraak te wijzigen en bevestigde de beëindiging van de bijstandsuitkering.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellant wordt beëindigd wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland.