ECLI:NL:CRVB:2004:AR2638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering WW-uitkering wegens verbrekingsvergoeding
Appellant was in dienst bij een Belgische werkgever en kreeg bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een verbrekingsvergoeding ter hoogte van 22 maanden salaris. Hij vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd omdat hij volgens de uitvoeringsinstantie niet als werkloos kon worden beschouwd zolang hij de vergoeding ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verbrekingsvergoeding gelijkgesteld moest worden aan loon over de opzegtermijn volgens Belgisch recht. Appellant stelde in hoger beroep dat de Nederlandse opzegtermijn volgens het Burgerlijk Wetboek moest gelden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 16, derde lid, van de WW verwijst naar de Nederlandse opzegtermijn uit artikel 7:672 BW Pro en niet naar buitenlandse arbeidsrechtelijke termijnen. De Raad verwierp het beroep op Europees recht dat Belgische termijnen zou moeten toepassen. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en gelastte een nieuw besluit waarbij rekening wordt gehouden met deze overwegingen. Tevens werden de proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit met toepassing van de Nederlandse opzegtermijn.