ECLI:NL:CRVB:2004:AR2636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Ontzegging WW-uitkering wegens verbrekingsvergoeding onder Belgisch arbeidsrecht niet toegestaan
Appellant was in dienst bij een Belgische werkgever en kreeg bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een verbrekingsvergoeding die overeenkwam met het loon over de opzegtermijn volgens Belgisch recht. Gedaagde, het UWV, stelde deze vergoeding gelijk aan loon en ontzegde daardoor het recht op WW-uitkering tot het einde van die termijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 16, derde lid, van de WW uitsluitend verwijst naar de opzegtermijnen van artikel 7:672 BW Pro en niet naar buitenlandse arbeidsrechtelijke opzegtermijnen. De Raad verwierp het standpunt van het UWV dat op grond van Europees recht de Belgische opzegtermijnen zouden moeten gelden.
De Raad stelde vast dat de Nederlandse WW van toepassing is en dat de Verordening (EEG) nr. 1408/71 geen aanleiding geeft tot toepassing van Belgische opzegtermijnen. De eerdere beslissing werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij ook het verzoek om vergoeding van renteschade betrokken moet worden.
Uitkomst: Het recht op WW-uitkering wordt niet ontzegd wegens de verbrekingsvergoeding onder Belgisch recht; het UWV moet een nieuw besluit nemen.