ECLI:NL:CRVB:2004:AR2337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder voor onbetaalde premies en kennelijk onbehoorlijk bestuur
Appellant, als enig bestuurder en aandeelhouder van een B.V., werd door het UWV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gelaten premies over 1996 en 1997. Het geschil betrof de vraag of sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur en de juistheid van de premieschuld.
De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep anders. De Raad stelde vast dat er wel degelijk sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, onder meer vanwege het ontbreken van een deugdelijke kasadministratie en het lenen van een groot bedrag voor risicovolle beleggingen terwijl faillissement dreigde.
Echter, de Raad vond ook dat de gehanteerde correctienota over 1997 onjuist was omdat onvoldoende rekening was gehouden met incidentele inkomsten en de verkoop van bedrijfsmiddelen. Daarnaast werd de hoogte van de opgelegde boetes verminderd vanwege een matigingsbeleid en nieuwe regelgeving.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van appellant en vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de uitspraak vernietigd, en het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten.