ECLI:NL:CRVB:2004:AR2275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid functies en weigering ziekengeld na wachttijd
Appellant, werkzaam als conciërge, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na afloop van de wachttijd weigerde het UWV een WAO-uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor gangbare arbeid. De rechtbank oordeelde dat appellant de aangeduide functies kon vervullen en wees het beroep af.
Appellant voerde aan dat zijn medische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat hij ten onrechte niet gehoord was tijdens de bezwaarprocedure. De Raad overwoog dat het niet horen van appellant voor zijn rekening kwam en dat de medische beoordeling door verzekeringsartsen juist was. De functies die appellant kon verrichten overschreden zijn belastbaarheid niet.
De Raad vernietigde het besluit tot weigering van Ziektewet-uitkering van 8 november 2001 wegens procedurele onjuistheid en verklaarde het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk. Het besluit tot weigering van WAO-uitkering bleef in stand. De Raad bepaalde tevens dat het betaalde recht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van WAO-uitkering wordt afgewezen; het besluit tot weigering van Ziektewet-uitkering van 8 november 2001 wordt vernietigd en bezwaar daartegen niet-ontvankelijk verklaard.