ECLI:NL:CRVB:2004:AR2215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken bijzondere omstandigheden voor terugwerkende kracht
Appellante ontving tot 1 oktober 1999 een bijstandsuitkering en vroeg op 1 maart 2000 opnieuw bijstand aan. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij geen juiste informatie verstrekte over haar adres. Op 20 juli 2000 diende zij een nieuwe aanvraag in, die werd opgevat als een verzoek om bijstand met ingang van 1 oktober 1999, maar ook deze werd aanvankelijk afgewezen. Na bezwaar werd bijstand toegekend vanaf 20 juli 2000 tot 7 maart 2001, maar niet voor de periode daarvoor.
Appellante stelde beroep in tegen het besluit om geen bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen voor de periode vóór 20 juli 2000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet wordt verleend vóór de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad vond geen bewijs dat appellante niet eerder dan 20 juli 2000 een nieuwe aanvraag kon indienen of dat er een gegronde reden was om dit niet eerder te doen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijstand met terugwerkende kracht wordt bevestigd wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.