ECLI:NL:CRVB:2004:AR0924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.Th. Wolleswinkel
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herleving BWOO-uitkering wegens niet-naleving termijn en vertrouwensbeginsel
Appellant ontving tot 1 mei 1999 een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO). Na beëindiging van de uitkering vroeg appellant herleving van de uitkering aan per 30 oktober 2000. Dit verzoek werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde uit artikel 7, vierde lid, BWOO dat de werkzaamheden binnen anderhalf jaar na aanvang moeten zijn beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat appellant niet volledig openheid van zaken had gegeven over de aanvang van zijn onderneming. De Raad onderschrijft dit oordeel en oordeelt dat appellant reeds vóór 1 mei 1999 was gestart met zijn bedrijf, zoals blijkt uit inschrijving bij de Kamer van Koophandel en andere feiten.
De Raad stelt dat de werkzaamheden een nieuwe bedrijfsactiviteit betreffen en dat de inschrijving bij de Kamer van Koophandel het vermoeden van zelfstandige activiteiten rechtvaardigt. De door appellant aangevoerde latere aanvangsdatum wordt niet gevolgd, ook niet omdat omzetgenererende activiteiten niet doorslaggevend zijn.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek tot herleving van de uitkering af. Tevens wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek tot herleving van de BWOO-uitkering wordt afgewezen omdat appellant niet binnen de wettelijke termijn is gestart met werkzaamheden.