ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet opgegeven inkomsten en wijze van invordering
Appellant ontving van november 1992 tot november 1995 een bijstandsuitkering. In maart 1999 werd het recht op uitkering over de periode van juni tot oktober 1995 herzien vanwege niet opgegeven inkomsten uit arbeid, waarna een bedrag van f 7.042,88 werd teruggevorderd. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het bedrag reeds was betaald en dat uit brieven van gedaagde mocht worden afgeleid dat geen terugvordering meer mogelijk was. Tevens voerde hij aan dat de vakantietoeslag niet was uitbetaald en verrekend had moeten worden. De Raad oordeelde dat de brieven geen betrekking hadden op de periode in geschil en dat geen bewijs was geleverd van betaling. De stelling over vakantiegeld was onvoldoende onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en verwierp het hoger beroep. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 18 augustus 2004 door de voorzitter en leden, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van f 7.042,88 en wijst het beroep tegen de wijze van invordering af.