ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid
Appellante, die wegens hart- en rugklachten haar werk als serveerster staakte, ontving een WAO-uitkering en een AAW-uitkering. Na vaststelling dat zij inkomsten uit arbeid had genoten bij verschillende werkgevers, besloot het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) haar uitkeringen vanaf 6 november 1992 niet uit te betalen. De uitkeringen werden aangepast op basis van een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid, berekend aan de hand van het gemiddelde maandinkomen afgeleid uit jaarinkomsten.
Appellante stelde in hoger beroep dat de systematiek onjuist was, omdat zij wisselende inkomsten bij verschillende werkgevers had en het gebruik van een gemiddeld maandinkomen onterecht was. De Raad oordeelde dat het primair op de weg van appellante lag om de benodigde maandelijkse inkomensspecificaties te verstrekken, wat zij niet had gedaan. Het Uwv had voldoende inspanningen verricht en de gehanteerde methode was aanvaardbaar.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hiermee werd het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot korting en intrekking van de WAO- en AAW-uitkeringen op basis van de gehanteerde systematiek.