ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering vennoot VOF
Appellant, vennoot in een vennootschap onder firma en arbeidsongeschikt verklaard, ontving een AAW-uitkering. Na wijziging van standpunt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werden zijn inkomsten uit de VOF als inkomsten uit arbeid aangemerkt, wat leidde tot intrekking van zijn uitkering per 1 januari 1996.
De rechtbank Middelburg had eerder de besluiten van het Uwv vernietigd wegens procedurele fouten, waaronder het niet uitnodigen van gedaagde voor een zitting. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak wegens schending van het recht op hoor en wederhoor, maar volgt inhoudelijk het oordeel dat de intrekking van de uitkering terecht is.
De Raad overweegt dat het verzoek van appellant om terug te komen op het besluit van intrekking niet kan worden gehonoreerd, omdat er geen nieuwe feiten zijn die daartoe aanleiding geven. De Raad bevestigt dat de intrekking van de AAW-uitkering met terugwerkende kracht rechtmatig is en dat de rechtszekerheid van appellant niet in het geding is.
De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat het Uwv het betaalde recht aan appellant vergoedt en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de AAW-uitkering per 1 januari 1996 blijft in stand.