ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek kinderbijslag bij latere vaststelling WAO-uitkering
Appellant heeft verzocht om kinderbijslag voor de periode 1991 tot oktober 1999, waarbij het recht op een WAO-uitkering pas jaren later werd vastgesteld. De Sociale verzekeringsbank wees het verzoek af vanwege het ontbreken van een tijdige aanvraag en het feit dat de WAO-uitkering in de betreffende periode was geschorst.
De Raad oordeelt dat het feit dat het recht op WAO-uitkering later werd vastgesteld, appellant niet had mogen weerhouden om tijdig kinderbijslag aan te vragen om zijn aanspraken veilig te stellen. Appellant heeft onvoldoende actie ondernomen om zijn aanspraken te beschermen, zoals het tijdig indienen van een aanvraag of het kenbaar maken van zijn aanspraak tijdens de procedure over de WAO-uitkering.
De Raad bevestigt dat de terugwerkende kracht van kinderbijslag beperkt is tot één jaar en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking hiervan rechtvaardigen. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.