ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering gedetineerde in strijd met EVRM-protocol door onvoldoende overgangstermijn
Appellant, die sinds 1998 in een TBS-kliniek verblijft en een WAO-uitkering ontving, zag deze per 1 juni 2000 ingetrokken op grond van de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg). Hij voerde aan dat zijn situatie vergelijkbaar was met personen die proefverlof genieten en dat de intrekking zijn resocialisatie en alimentatiebetalingen ernstig belemmerde.
De Raad overwoog dat het onderscheid tussen gedetineerden en niet-gedetineerden in de Wsg in algemene zin toelaatbaar is, maar dat de overgangstermijn van één maand voor gedetineerden die op 1 mei 2000 al een uitkering ontvingen en vrijheidsbeneming ondergingen, onvoldoende was om te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals vereist door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Raad oordeelde dat de intrekking van appellants WAO-uitkering daarom in strijd is met deze verdragsbepaling. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering van appellant wordt vernietigd wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.