ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering gedetineerde in strijd met EVRM-eigendomsgarantie
Appellant, een gedetineerde die een WAO-uitkering ontving, kreeg deze uitkering ingetrokken op grond van de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg). Hij voerde aan dat de intrekking onrechtmatig was, mede omdat hij resocialisatieverlof genoot en zijn situatie vergelijkbaar was met anderen die buiten de werking van de Wsg vielen.
De Raad overwoog dat het onderscheid in de Wsg tussen gedetineerden en anderen in algemene zin geoorloofd is, maar dat de overgangsregeling voor degenen die op 1 mei 2000 al een uitkering ontvingen en vrijheidsbeneming ondergingen niet voldeed aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals vereist door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Raad oordeelde dat de intrekking van appellants WAO-uitkering per 1 juni 2000 daarom in strijd is met deze verdragsbepaling. Hoewel appellant financiële problemen ondervond door de intrekking, achtte de Raad dit geen reden om de intrekking achterwege te laten. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen, met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens strijd met het eigendomsrecht onder het EVRM.