ECLI:NL:CRVB:2004:AQ4563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezagsverhouding en verzekeringsplicht directeur bij overeenkomst van opdracht
Appellante, een vennootschap, betwistte dat haar directeur en enig aandeelhouder, hierna [betrokkene], in dienst was van haar gedurende een opdrachtperiode van maart 2000 tot eind 2001. De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van een gezagsverhouding, een vereiste voor het aannemen van een dienstbetrekking en daarmee verzekeringsplicht.
De Raad bekeek de inhoud van de overeenkomst van opdracht tussen appellante en [naam B.V.], waarbij [betrokkene] namens deze B.V. de opdracht uitvoerde. Uit de overeenkomst bleek dat appellante aanwijzingen kon geven, toezicht hield op de uitvoering, maandelijkse schriftelijke rapportages vereiste, en de overeenkomst met onmiddellijke ingang kon beëindigen bij onvoldoende nakoming. Dit duidde op een gezagsverhouding.
Appellante voerde een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan met verwijzing naar een andere interimmanager, maar dit werd niet in behandeling genomen wegens laattijdigheid en onvoldoende onderbouwing. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat [betrokkene] verzekeringsplichtig is op grond van de werknemersverzekeringen vanwege de gezagsverhouding.
De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 15 juli 2004, waarmee het hoger beroep van appellante werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er een gezagsverhouding bestond en [betrokkene] verzekeringsplichtig is op grond van de werknemersverzekeringen.