ECLI:NL:CRVB:2004:AQ4468

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5667 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van een WAO-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), omdat hij na de wettelijke wachttijd van 52 weken minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant geen aanvullende medische gegevens had overgelegd die tot een ander oordeel konden leiden.

In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe feiten of medische gegevens aangevoerd die het oordeel van het UWV konden weerleggen. De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank in haar oordeel en acht het bestreden besluit in overeenstemming met de wet, waarbij geen gronden zijn voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak werd gedaan door mr. C.W.J. Schoor, in aanwezigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier, op 13 juli 2004.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5667 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2002, nummer
WAO 02/778-RIP, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 15 juni 2004, waar partijen -zoals zij tevoren hadden aangekondigd- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 14 december 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat hij na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 2 januari 2001 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 13 maart 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het namens appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij voornoemde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder andere (waarbij appellant wordt aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder) het volgende overwogen:
“De rechtbank ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Er heeft lichamelijk onderzoek plaatsgevonden en de gegevens uit het dossier zijn bestudeerd. Voorts is rekening gehouden met de beschikbare informatie van de behandelend sector. De stelling van eiser dat zijn rugklachten zijn onderschat en dat hij derhalve niet in staat is de geduide functies te vervullen, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu eiser geen informatie van medische aard heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand en op de beperkingen die hieruit voortvloeien voor het verrichten van de geduide functies.”
Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel omtrent het bestreden besluit.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Evenals in beroep zijn namens appellant ook in hoger beroep geen feiten of medische gegevens aangedragen die de Raad aanleiding geven gedaagdes oordeel omtrent appellant’s belastbaarheid voor onjuist te houden. De Raad is ook overigens in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet gebleken dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) J.D. Streefkerk.